In het eerste hoofdstuk, The birth of the transgenic laboratory mouse (De geboorte van de transgene labmuis), richt ik mijn aandacht primair op de biomedische wetenschappen. In dit hoofdstuk introduceer ik de transgene muis door hem op te zoeken in zijn ‘natuurlijke’ habitat: het laboratorium. Ten einde het antwoord te geven op de vragen hoe de muis daar terecht is gekomen en hoe hij zich heeft kunnen ontwikkelen tot meest gebruikt proefdier, ga ik terug naar het begin van de vorige eeuw toen de muis zijn intrede deed in het wetenschappelijke laboratorium. Vanaf dat moment volg ik zijn ‘carričre’ tot standaard poefdier voor studies in de genetica. Ik onderscheid drie cruciale stappen in de ‘genealogie’ van laboratorium muis.1) De transformatie van de muis van een studieobject als dier naar een homogeen laboratorium instrument dat geschikt is voor onderzoek naar de genetica; 2) de ontwikkeling tot pionier in de transgene technologie; en 3) zijn transformatie tot modelmuis in een muismodel geschikt voor onderzoek naar menselijke ziekten. Dit hoofdstuk sluit ik af met de conclusie dat de muis als gevolg van een lang proces van menselijke interventie in zijn genetische opmaak een ‘levend artefact’ is geworden.
In het tweede hoofdstuk, Mouse ethics, the taming of a monster (Muizenethiek, een vorm van monsterbezwering), ga ik in op het maatschappelijke en ethische debat over de muisbiotechnologie. Wat zijn de morele aspecten van het genetisch modificeren van muizen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek? Hoe moeten we omgaan met deze genetisch gemodificeerde proefdieren? Welke antwoorden geven filosofen op deze vraag? In het debat over biotechnologie bij dieren onderscheid ik drie nooit convergerende paden. Op het eerst pad wordt een discussie gevoerd over de noodzaak van muisbiotechnologie als het gaat om onze verlossing van levensbedreigende genetische ziektes. Op het tweede pad gaat de discussie over het dierenleed dat gepaard gaat met deze ingrijpende dierexperimenten. Op het derde pad gaat het debat over de vraag of wij als mens wel het recht hebben om in te grijpen in de schepping en of we niet voor ‘God spelen’ als wij ingrijpen op het genoom van de muis. Op elk van deze drie paden verschijnt een andere muis, een ander muisbeeld. Op het eerste pad zien we de muis als een onderdeel van high-tech laboratorium instrumentaria. Op het tweede pad verschijnt een dier van vlees en bloed dat slachtoffer is van de wetenschap. Op het derde pad doemt een beeld op van de muis dat lijkt op dat van het monster van Frankenstein. Deze muisbeelden laten zich niet gemakkelijk tot een eenduidig moreel oordeel over muisbiotechnologie herleiden, aangezien zij verwijzen naar verschillende en vaak onverenigbare morele waarden, zoals vooruitgang in de medische wetenschap, dierenwelzijn en respect voor de natuur. Volgens Bernard Rollin, een van de meest invloedrijke filosofen op het gebied van biotechnologie bij dieren, zijn alleen bezwaren die te maken hebben met dierenwelzijn moreel relevant. De overige bezwaren die worden geuit tegen biotechnologie bij dieren zijn, volgens hem, esthetische bezwaren. Veel filosofen, (mijzelf incluis) en leken hebben moeite met deze lijn van redeneren. Er staat zonder twijfel meer op het spel dan alleen dierenwelzijn: namelijk ons natuurbeeld of onze definitie van wat we als natuurlijk beschouwen. Echter, in de dagelijkse onderzoekspraktijk lijkt een utilistische afweging tussen dierenwelzijn en maatschappelijk nut het dominante ethische toetskader te zijn. Dit geld zo wel voor de betrokken biomedisch onderzoekers als leden van Dier Experimenten Commissies. Hoe dit is te verklaren leg ik uit aan de hand van Martijntje Smits’s monstertheorie. Deze theorie biedt een verklaring voor publieke reacties op producten van nieuwe technologieën die zich niet laten herleiden tot de natuur-cultuur dichotomie. De genetisch gemodificeerde muis is zo’n ‘product’. In dit hoofdstuk beargumenteer ik, tot slot, dat de muis ondanks zijn wijdverbreide gebruik in biomedische laboratoria en de schijn van domesticatie, voor velen nog steeds een het karakter van monster heeft. Het monsterkarakter van de muis blijkt onder andere uit de mythen en metaforen die het vocabulaire van het debat over biotechnologie bij dieren debat domineren.
In de hoofdstukken 3, 4 en 5 bespreek ik achtereenvolgens de ‘waarheden’ die schuil gaan achter de drie belangrijkste metaforen en mythen: de ‘voor God spelen’ metafoor; de Frankenstein mythe; en de yuk!-factor.
In het derde hoofdstuk, Playing God or the promise of mouse biotechnology (Voor God spelen of de belofte van de muisbiotechnologie), neem ik het kunstwerk Ecce Home van Bryan Crockett als vertrekpunt bij het bespreken van de ‘voor God spelen’ metafoor in biotechnologie. In dit kunstwerk wordt de genetische gemodificeerde oncomuis gerepresenteerd als de Christus figuur. Dit manhoge marmeren beeld is een veelzeggende verbeelding van de ‘voor God spelen’ metafoor. Het suggereert niet alleen dat wetenschappers die betrokken zijn bij muisbiotechnologie voor God spelen, maar ook dat biotechnologen pretenderen verlossing te brengen. In mijn verkenning van de mythe van de ‘wetenschap als verlossing’, beargumenteer ik dat, los van het feit of we dit nu letterlijk of metaforisch moeten zien, biotechnologie het karakter heeft van een belofte. En dat de genetisch gemodificeerde muis is te zien als de personificatie van die belofte. Wie zijn het die deze belofte doen, wie spelen er voor God? En wat beloven zij, wat is hun ‘goddelijke’ plan?
Dit brengt mij op de angst voor potentiële monsters die binnen laboratoria worden geschapen. Deze angst is het onderwerp van hoofdstuk 4, The ‘Frankenstein thing’ or the monsters we fear (De Frankenstein mythe of de monsters die we vrezen). Bij de formulering van deze angst verwijst men dikwijls naar de klassieke roman van Mary Shelley. Frankenstein’s monster is min of meer het archetype voor de populaire ‘biotech monster fobie’. In dit hoofdstuk behandel ik de vraag waar mensen, die refereren aan Frankenstein als zij kritiek uiten op biotechnologie, precies bang voor zijn. Hoe verhoudt de Frankenstein mythe zich tot de ontwikkelingen in de hedendaagse biotechnologie? Om deze vraag te beantwoorden vertel ik het verhaal van vier supermuizen en illustreer daarmee de toekomstige mogelijkheden van human enhancement. Ik beargumenteer dat in deze dagen van supermuizen het kritisch lezen van Shelley’s roman van groot belang is en dat biotechnologen inderdaad een monster hebben ontdekt. Immers, DNA, onze essentie, is van nature manipuleerbaar en daarmee is de mens net als de muis 'maakbaar'. De cruciale vraag is dan hoe we geslaagde ‘re-creaties‘ kunnen onderscheiden van monsterlijke. Is het mogelijk hier een objectief moreel oordeel over te vellen of is dit slechts een kwestie van smaak?
Om deze vraag te beantwoorden bespreek ik het vijfde hoofdstuk, ‘Yuk’ and the aesthetics of mouse biotechnology (Yuk! en de esthetica van muisbiotechnologie), de relatie tussen smaakoordelen en ethische oordelen over biotechnologie bij dieren (en mensen) in meer detail. Daartoe keer ik eerst terug naar het argument van Rollin dat ik al eerder heb bespoken in hoofdstuk 2 (Ik doel hier op het argument dat morele zorgen, die hun basis vinden in een esthetisch oordeel, geen serieus te nemen, want emotionele of subjectieve morele oordelen zijn.) In tegenstelling tot Rollin beargumenteer ik dat we in het debat over biotechnologie bij dieren esthetische oordelen juist zeer serieus moeten nemen. Morele overtuigingen hebben altijd rationele en emotionele elementen in zich. Mensen die ‘yuk!’ roepen in confrontatie met concrete voorbeelden van biotechnologie bij dieren geven uiting aan diepe gevoelens van morele zorg, maar beschikken blijkbaar nog niet over het vocabulaire om dat op filosofisch gearticuleerde wijze te doen. Wat drukken mensen uit wanneer zij yuk! zeggen? In het vijfde hoofdstuk beargumenteer ik dat yuk!-responsen over het algemeen uiting geven aan twee elementen van zorg: ten eerste, het gevoel van verwarring dat ontstaat wanneer schijnbaar evidente en objectieve noties als ‘natuurlijk’ dat opeens niet meer blijken te zijn. En, ten tweede, de zorg over de dreiging die biotechnologie vormt voor de kwaliteit van het leven, dat wat een leven de moeite waard maakt om te worden geleefd. De tweede vraag die ik in dit hoofdstuk centraal stel is de wat de rol van kunst kan zijn in de ‘biotech eeuw’. Hoe kan hedendaagse kunt van dienst zijn bij het vellen van een moreel oordeel over biotechnologie bij dieren, in het bijzonder als het gaat om vragen over natuur en natuurlijkheid, kwaliteit van het leven, identiteit, het normale en het abnormale? Om mijn argumenten te illustreren bespreek ik drie kunstprojecten: het GFP Bunny project van Eduardo Kac (2000); de Transgenic Mice series van Catherine Chalmers (2000); en Genpets™ van Adam Brandejs (2005). Aan de hand van deze kunstwerken laat ik zien dat kunst een belangrijke bijdrage kan spelen in onze morele oordeelsvorming, omdat kunstenaars het onzichtbare zichtbaar maken en omdat beelden soms kunnen overbrengen wat taal (nog) niet kan uitdrukken.
De vraag is niet zozeer waar de biotech revolutie ons toe zal leiden, en of dat goed is, of slecht, maar veeleer of we er klaar voor zijn.